1940 - 1945

De hongerwinter en de bevrijding

Het verhaal van Richard Nordemann
Door Peta Steenis

Zoals in de andere Zaangemeenten was er ook in Krommenie een noodorganisatie. Mijn vader was hier voorzitter van. Met een vrachtwagen van de linoleumfabriek, aangedreven door een houtkachel, werd in de Kop van Noord-Holland voedsel opgehaald. Dat konden aardappelen, bieten, wortelen of soms graan zijn. In het achterstuk van waar nu boekwinkel  ‘Stumpel’ zit werden de spullen van de noodorganisatie opgeslagen. Op de zolder van dat pand lagen zandzakken, waarop de ondergrondse oefende met schieten. Bieten werden naar de gasfabriek gebracht om daar gekookt te worden. Het opgehaalde voedsel werd door middel van een bonnensysteem aan de bevolking verstrekt.

Zelf heb ik gelukkig niet veel honger geleden. Doordat mijn vader een textielzaak had kon hij nog wel eens lakens ruilen tegen voedsel. Bij een boer in Krommeniedijk gingen we vaker melk halen in ruil voor bijv. bolletjes wol. Een enkele keer hadden we suikerbieten, waarvan mijn moeder stroop en pulpboffers maakte op de blikkachel en een paar keer aten we tulpenbollen. De blikfabriek maakte in die tijd blikkacheltjes, waar van alles in gestookt werd. Natgemaakte krantenpapierproppen, hout van o.a. gekapte bomen en zelfs de oude schoenen van mijn moeder. Omdat er nog maar één treinspoor was gingen mensen bij het spoor kolen rapen en werden bielzen meegenomen. Ik heb nog op schoenen van mijn moeder gelopen, die hadden houten zolen en een leren riempje eroverheen. Er was geen gas en geen elektra. Voor verlichting gebruikten we een carbidlamp.

noodkachel Verblifa

karbidbrander

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het voorjaar van 1945 gaven de Duitsers toestemming aan de Engelsen en Amerikanen om voedsel te droppen. Hun vliegtuigen vlogen laag over en dan gingen de bomluiken open. Het gedropte voedsel bestond uit crackers, margarine en blikjes vlees. Later werd er per schip ook nog Zweeds wittebrood aangevoerd.

Twee neefjes, van ongeveer mijn leeftijd, waren tijdens het houtsprokkelen in de duinen bij Haarlem op een landmijn gelopen en zijn daarbij omgekomen. Toen mijn ouders bij hun begrafenis in Haarlem waren, zagen zij de vliegtuigen de voedselpakketten neergooien. Veel mensen bij het graf renden weg om iets van het gedropte voedsel te kunnen bemachtigen.

Op 5 mei 1945 kwam de bevrijding. We hosten in optocht door de straten en zongen ‘ik heb een potje met vet’ en gingen naar de Provincialeweg om de bevrijders te verwelkomen. Ik herinner me Harrie Meier, een bekende dorpsfiguur, die op een muurtje op de hoek Padlaan/Hoofdstraat waar het vol stond met mensen, gedichten stond op te zeggen. De Canadezen kwamen echter pas drie dagen later op 8 mei langs. Toen gingen we natuurlijk weer naar de Provincialeweg. Ik heb nog achter op een auto en op de motorkap van een jeep gezeten.

Meteen na de oorlog kregen we op school crackers met veel vitaminen.

Daarna kwam de vergelding. NSB-ers werden vervolgd en ik heb gezien dat de zogenaamde ‘moffenmeiden’ werden kaalgeschoren.

Reacties

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar alle verhalen

Het Zaans Museum maakt op deze website gebruik van cookies.

Wij plaatsen functionele cookies voor de werking en verbetering van deze website. Mogen wij extra cookies plaatsen voor sociale media koppelingen, gepersonaliseerde (video) advertenties en het meten van de effectiviteit van onze online campagne’s? Lees hier meer over in onze privacyverklaring of pas uw privacy instellingen aan

Privacy policy | Liever niet
Settings