In 1914 werd een elektrische-installatie-fabriek opgericht door de heren Sterel & Wechgelaar. Wilhelm (Wim) Vaatstra (80 jaar) vertelt over hoe hij als 15 jarig jochie bij de firma binnenkwam.
‘Mijn vader haalde mij van de ULO, omdat ik er weinig uitvoerde en veel spijbelde,’ begint Wim. Met mijn hoofd in de boeken algemene stof stampen was niets voor mij. Boer wilde ik worden. Zaandam was in die tijd nog een dorp dus boerenbedrijven genoeg in de buurt. ‘Veel te zwaar werk voor een karig loon’ vond mijn vader. Volgens mijn opa had elektrotechniek de toekomst. Zijn zwager was de oude heer Sterel en daar maakte hij een babbeltje mee. Vervolgens moest ik bij Sterel junior (inmiddels de directeur) komen op zijn privékantoor aan de Oostzijde. Hij vroeg mij ‘Heb je een overall?’ Die had ik. ‘Kom dan maandag naar de werkplaats aan de Cornelis van Uitgeeststraat.’
Maandags vroeg de werkplaats-chef mij of ik naar de ambachtsschool was geweest. ‘Nee, meneer’ zei ik. ‘Gelukkig’ verzuchtte die man. ‘Eindelijk eens niet zo’n wijsneus.’ En zo moest ik op mijn eerste werkdag ome Kees Snijdood helpen de nieuwe loods te bouwen. Ja, het was daar allemaal ome dit en ome dat. De ervaren bankwerkers en monteurs namen de jonkies op sleeptouw.
Maar ik moest ook rotklusjes doen, hoor. Schillen halen voor de geiten die bij ons op het braakliggende landje stonden of op zaterdagochtend kwitanties lopen. Dan kreeg ik een zwarte tas met wisselgeld en fietste ik heel Zaandam in de rondte. Dat was ook zoiets. We hadden één bestelwagen; het merendeel ging lopend, fietsend of met ov. Niet voor te stellen, hè?
Naast mijn werk moest ik vijf avonden per week naar school. Dat leren ging me makkelijk af, nu wist ik waar ik het voor deed. Als vanzelf rolde ik in de wikkelarij. Dit was de elektromotoren-afdeling van schepen en fabrieken. Als elektrotechnisch wikkelaar repareerde ik enorme motoren van bijvoorbeeld Albert Heijn en Hilko maar ook van de KNSM of marineschepen.
Wims verhaal is doorspekt met jargon. Het is duidelijk, Wim weet waarover hij het heeft. Dat botste wel eens met kantoor, vertelt hij. Die hadden vaak geen benul hoe het er in de praktijk aan toe ging. Dat zei ik ze dan ook. Ook aan meneer Sterel. Hij vertelde aan mijn opa dat ik een goed vakman zou worden, maar dat ik niet de makkelijkste was.
Vijfendertig jaar heb ik daar gewerkt, toen werd ik afgekeurd vanwege mijn rug. Maar nog jaren heb ik een kerstpakket ontvangen.
(Zie ook het verhaal van Kees Rijpkema over Sterwech)





